In het hospice.

hoop doet levenOp woensdagmiddag word ik door een collega geestelijk verzorger uit één van de tehuizen gebeld. Een bewoner wordt overgeplaatst naar het hospice en mevrouw wil graag daar ook geestelijke verzorging.
De volgende dag ga ik haar bezoeken in het hospice. Best wel spannend! Mevrouw en ik kennen elkaar niet. Hoe zal ze reageren? Kan ze nog reageren?
Ik word door de verpleegkundige naar haar kamer gebracht. Ik zie een vergroeide vrouw in een foetushouding liggen. Ze kijkt met haar gezicht naar haar dochter en schoonzoon. De verpleegkundige stelt mij als de dominee van mevrouw voor en vraagt aan de dochter om plaats te maken bij het bed van haar moeder. Ik zie de bliksem in haar ogen als ze opstaat. Ik geef aan dat ze wel bij het gesprek aanwezig mag zijn. Maar uit een afwijzend gebaar maak ik op dat ze dat niet wil.
Ik ga zitten bij het bed van mevrouw en stel mijzelf voor terwijl ik haar hand vasthoud. Ze heeft me nog niet eerder gezien. Uit haar blik maak ik op dat ze me toch heeft verwacht. Blijkbaar heeft mevrouw onthouden dat ze ook in het hospice door een geestelijk verzorger zou worden bezocht.
Mevrouw is benauwd en zo nu en dan zegt ze een paar woorden. Ik luister scherp. Haar stem is bijna fluisterend. Ze heeft geen kracht meer om met haar stem volume te maken. Haar gezicht is getekend. Ze geeft mij de indruk veel te hebben meegemaakt. Ze geeft aan dat ze dit niet zo gewild heeft. ‘Altijd flink’, zegt ze tegen mij. Ik geef terug dat je kwetsbaar mag zijn, ook als je zo ziek bent. Ze plukt aan haar dekens en kijkt mij verdrietig aan. Ik zie dat ze wat wil zeggen, maar de woorden komen niet. Ik vraag haar of ik haar mag helpen om de woorden tot klinken te laten komen. Ze zegt zachtjes ‘ja’. ‘Klopt het dat het u verdriet doet om zo kwetsbaar te zijn?’ Ze knikt ja. En haar ogen gaan richting de foto van de kinderen. ‘Is het moeilijk voor u dat uw kinderen u zo ziek zien?’ En weer knikt ze instemmend. ‘U was altijd flink en wilde flink zijn voor de kinderen?’ Een paar knikt ze met haar hoofd ‘
Haar handen gaan voorzichtig mijn richting uit. Ik voel het dat ik haar handen in mijn handen mag ontvangen. We zitten zo een tijdje samen. Ik weet helemaal niets van de achtergrond van deze mevrouw, maar het voelt als een woordenloos gebed. Intens in elkaars nabijheid onder de aanwezigheid van die Ene.
Ineens gaan haar ogen van haar handen naar het plafond en dan naar mij en weer omhoog. Zachtjes vraag ik haar: ‘bedoelt u mij duidelijk te maken dat u verlangt naar het levenseinde?’ Ze geeft geen antwoord, maar haar ogen worden vochtig en ze huilt zachtjes. Ik houd haar handen vast en ben haar stil nabij. ‘Laat maar los, u mag gaan, het is goed zo!’, zeg ik haar. Als de tranen zijn gestopt, maak ik met een tissue haar gezicht schoon. Haar lippen vormen de woorden ‘dank u!’ Ik geef haar nog een slokje water. ‘Vind u het fijn als ik morgen weer kom?’, vraag ik haar. Ze knikt en haar gezicht is rustig en tevreden als ik afscheid neem.
Daarna nog even de dochter opgezocht die in de tuin zat. Ze begrijpt niet dat haar moeder met een dominee wilde praten, want moeder ‘leefde er maar op los en had niets met God en gebod’. Ik leg haar uit dat in de zorginstelling moeder al contact had met de geestelijke verzorger. Maar ik geef ook terug dat ik haar pijn in haar woorden en hoor en nodig haar uit om iets over de pijn te vertellen. Een verhaal van verslaving, onmacht, gebroken relaties volgt. Na jaren geen contact zit nu hier een beschadigde dochter tegenover mij die zo goed en zo kwaad als het gaat er toch nog voor haar moeder wil zijn. ‘Wat krachtig, dat je dit doet!’, zeg ik tegen haar bij het afscheid.
De volgende dag is mevrouw niet meer aanspreekbaar. Ik begroet haar, maar er volgt geen reactie. De twee dochters zitten aan het bed. Ze stralen iets uit van niet goed raad te weten met de situatie. En er hangt een onaangename sfeer rond het sterfbed.
Ondertussen zie ik mevrouw steeds met haar armen in de richting van het geluid gaan. Die armen worden niet opgevangen. Ik besluit de armen als ze weer de richting van het geluid op gaan, ze op te pakken. En weldra gebeurt dat. Ik pak ze vast en voel ontspanning als haar handen tussen mijn handen een poosje liggen. Ik voel weer de verbindtenis en zeg tegen haar: ‘Ga maar, lieverd!’ De dochters zijn geraakt. Ik vraag hen of één van hen zo bij haar moeder wil zitten. Eén van de dochters maakt een afwijzend gebaar en fluistert dat zij haar moeder niet durft aan te raken. De ander vangt de armen van de moeder op als ze weer onrustig omhoog gaan. ‘Misschien kun je nog wat tegen haar zeggen of herinneringen op halen, terwijl je haar handen zo vast houdt’, zeg ik tegen deze dochter. Beide dochters schudden hun hoofd. Veel wordt er niet gezegd. Maar het voelt iets vrediger als ik weg ga, dan toen ik kwam.
De dag daarop is mevrouw net overleden als ik in het hospice aankom.  Opluchting dat het sterven achter de rug is en dat het goed is dat moeder uiteindelijk in rust is heen gegaan.